MENU
bestuurdersaansprakelijkheid, aansprakelijkheid faillissement, onbehoorlijk bestuur

Bestuurdersaansprakelijkheid: welke gronden zijn er voor matiging van de aansprakelijkheid?
14-10-2022

In elk faillissement onderzoekt de curator de oorzaken van het faillissement en wordt nagegaan of het bestuur terzake aansprakelijk is. Als bestuurdersaansprakelijkheid door de rechter wordt vastgesteld, zijn alle bestuurders hoofdelijk (of te wel: iedereen voor het volle pond) aansprakelijk voor het gehele tekort in het faillissement. Tekorten in faillissementen kunnen zeer hoog oplopen. De wet heeft de rechter de bevoegdheid gegeven het bedrag waarvoor het bestuur of een bestuurder aansprakelijk is te matigen. Maar op welke gronden is dit mogelijk?

De rechter kan het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen als hem dit bovenmatig voorkomt gelet op:

  1. de aard van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur
  2. de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur,
  3. de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld.

    De rechter kan voorts het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderen als hem dit bovenmatig voorkomt gelet op:
  4. de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaats vond.

Argumenten voor matiging bestuurdersverantwoordelijkheid zijn limitatief

Ik heb het artikel hierboven opgeknipt in de vier gronden waar deze matiging uiteenvalt. In een recente procedure bij de Hoge Raad was aan de orde of deze opsomming limitatief is. De betreffende bestuurders meenden kennelijk dat er nog meer omstandigheden aan de orde waren welke mogelijk tot matiging dienden te leiden. De bestuurders klaagden erover dat het hof niet ingegaan was op deze punten, althans dat het hof hier geen uitgebreide motivering aan had gewijd waarom zij deze had afgewezen.

De Hoge Raad – en daarvoor de Advocaat-Generaal – maakt korte metten met deze klacht. De opsomming die de wet kent in 2:248 lid 4 BW is limitatief. Het heeft dus geen zin om met andere argumenten aan te komen die buiten deze opsomming vallen. Dat geconstateerd hebbende: de gronden die de wet noemt zijn tamelijk ruim. Kijkende naar begrippen als ‘andere oorzaken’ van het faillissement’ en ‘de aard en de ernst’ van de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur, zal het in procedure veelal vrij eenvoudig zijn om de argumenten voor matiging aan te voeren. In concreto hebben ik en mijn kantoorgenoten geen situatie meegemaakt waarin wij de argumenten niet daaronder hebben kunnen scharen.

Collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur

In discussies over bestuurdersaansprakelijkheid wordt vaak een poging gewaagd om een matiging te krijgen voor een individuele bestuurder die meent part noch deel te hebben gehad aan het falen van een of meerdere van zijn bestuursgenoten op de taken die laatstgenoemden was toevertrouwd. De Advocaat-Generaal benadrukt de collectieve verantwoordelijkheid van het bestuur en geeft aan dat er geen goede grond is om de matigingsbevoegdheid verder buiten het eerdergenoemde wettelijk kader op te rekken. Of te wel een bestuurder die zich geconfronteerd ziet met onacceptabele handelingen van zijn medebestuurders dient snel en consequent in te grijpen en, als zijn acties geen of onvoldoende effect hebben, tijdig af te treden.

Meer weten over bestuurdersaansprakelijkheid bij een faillissement?

Neem gerust contact op met mij of een van de overige insolventierechtadvocaten.

© 2022 RWV