MENU

Europese integratie
04-02-2011

Door de crisis hebben lidstaten in toenemende mate de neiging om hun eigen markt te beschermen. Dat is in strijd met de doelstellingen van de EU.

De EU heeft vanaf het begin van haar bestaan de schepping van één geïn-tegreerde interne markt beoogd, dat wil zeggen een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van het Verdrag (Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Op deze wijze wordt de ruilhandel tussen de landen het beste gestimuleerd. Hier-bij hebben alle betrokkenen baat en wel meer dan wanneer ieder land volledig in zijn eigen behoefte zou moeten voorzien. De interne markt die wordt nagestreefd omvat momenteel 27 lidstaten met een totaal van ongeveer 490 miljoen inwoners. Dit is een markt die zo’n 70 miljoen inwoners meer telt dan die van de VS en Japan tezamen.

Bedreigingen

Na de afschaffing van de in- en uitvoerheffingen op 31 december 1969 bleven er nog vele bedreigingen voor de totstandbrenging en het functioneren van de interne markt over. Deze bedreigingen hebben vaak hetzelfde doel en zeker hetzelfde effect als in- en uitvoerheffingen, namelijk het in stand houden van de oude douanegrenzen. Zij worden veelal aangeduid als technische belemmeringen. Deze belemmeringen nemen gedurende een recessie snel in aantal toe, omdat de lidstaten trachten te beschermen wat zij als hun belangen op korte termijn beschouwen, niet alleen tegenover andere landen, maar ook tegenover andere lidstaten. Behalve overheden reageren ook ondernemingen op een recessie door de regels van het Verdrag die op hen van toepassing zijn, wat ruimer te interpreteren.

Technische belemmeringen

Het principe dat ten grondslag ligt aan de opheffing van technische belemmeringen is dat indien een goed in één lidstaat conform de aldaar geldende wetten is vervaardigd en in de handel is gebracht, er geen reden is waarom het niet in de gehele Gemeenschap in de handel zou mogen worden gebracht. De Europese Commissie voegt daaraan toe dat wat geldt voor goederen ook moet gelden voor personen en voor diensten. “Indien een burger of bedrijf uit de Gemeenschap voldoet aan de eisen ten aanzien van zijn activiteit in één lidstaat, kan er geen geldige reden zijn waarom die burger of dat bedrijf zijn economische activiteiten niet in andere delen van de Gemeenschap zou mogen ontplooien”.

Technische belemmeringen met betrekking tot goederen

Technische belemmeringen met betrekking tot goederen kunnen allereerst bestaan in nationale voorschriften die de in- of uitvoer van die goederen beperken naar hoeveelheid of naar waarde. Hierbij kan dan bijvoorbeeld worden gedacht aan voorschriften die de in- of uitvoer vrij laten totdat een bepaald percentage van de nationale productie in een basisjaar is bereikt, en daarna verbieden. Dit soort beperkingen van het vrije goederenverkeer is veelal tamelijk gemakkelijk vast te stellen.

Veel moeilijker te achterhalen zijn voorschriften die op het eerste oog geen beper-king van de tussenstaatse handel vormen, maar dit in de praktijk wel degelijk zijn: de zogenaamde maatregelen van gelijke werking als in- of uitvoerbeperkingen.

Een voorbeeld van zo’n maatregel van gelijke werking was het Ierse voorschrift dat op alle uit andere lidstaten ingevoerde souvenirs en bijouterieartikelen een aanduiding van oorsprong of het woord “foreign” diende te worden aangebracht. Dit soort producten vormt veelal een herinnering aan een bepaalde plaats, voor-werp of historische gebeurtenis en wordt door de toerist ter plaatse gekocht. U zult begrijpen dat de wetenschap dat zo’n product in een ander land is gemaakt niet verkoopbevorderend werkt. 

Het Europese Hof van Justitie oordeelde echter dat de herinnering de wezenlijke eigenschap van het product is en dat het derhalve niet noodzakelijk is dat het product ook is vervaardigd in het land van de plaats, het voorwerp of de gebeurtenis waaraan het herinnert, in casu dus Ierland. Het Hof meende op die grond dat het voorschrift discriminerend van aard was en een maatregel van gelijke werking als een invoerbeperking vormde.

Nog lastiger wordt het als het vrije goederenverkeer wordt beperkt door verschillen in nationale wetgeving tussen de lidstaten. Zo bestond in Duitsland een wet die bepaalde dat alleen voor consumptie bestemd gedistilleerd met een alcoholpercentage van tenminste 32% als gedistilleerd op de markt mocht worden gebracht. Dit betekende in feite een invoerverbod voor bepaalde voor consumptie bestemde Franse gedistilleerde dranken met een alcoholpercentage van 15 à 20%, waaronder “Cassis de Dijon”.

Het Europese Hof was van oordeel dat het Duitse voorschrift een maatregel van gelijke werking als een invoerbeperking vormt zolang sprake is van de invoer van gedistilleerd dat in een andere lidstaat rechtmatig geproduceerd en als zodanig in de handel is gebracht. Dit principe lijdt slechts uitzondering in gevallen waarin de verschillen tussen de nationale voorschriften noodzakelijk worden gemaakt door “dwingende behoeften, onder meer verband houdende met de doeltreffendheid van fiscale controles, de bescherming van de volksgezondheid, de eerlijkheid der handelstransacties en de bescherming van de consument”. Hiervan was in dit geval geen sprake.


Technische belemmeringen met betrekking tot diensten

De totstandbrenging van een vrij dienstenverkeer verloopt stroever dan dat van een vrij goederenverkeer. Dit is verwonderlijk daar het potentieel voor groei en schepping van werkgelegenheid in deze sector groter is dan in de industrie. Vooral voor Nederland kan het belang van de dienstensector niet licht overschat worden. Deze sector draagt ongeveer 75% bij aan het BNP en 80% van de beroepsbevolking is er werkzaam.

Bij diensten dient niet alleen te worden gedacht aan de “traditionele” diensten als het bankwezen, de verzekeringen en het vervoer, maar ook aan audiovisuele diensten, informatie- en gegevensverwerkende diensten en geautomatiseerde marketing- en distributiediensten.

De Commissie heeft het vrije dienstenverkeer willen stimuleren met de Europese Dienstenrichtlijn die op 28 december 2006 in werking is getreden. De EU-lidstaten hebben drie jaar de tijd gekregen om de deze richtlijn in te voeren met behulp van nationale wetgeving. Nederland blijkt op tijd te zijn. De Eerste Kamer heeft op 10 november 2009 de Dienstenwet aangenomen. De Dienstenrichtlijn en Dienstenwet gaan echter niet over álle denkbare diensten. De volgende diensten vallen er niet onder:

  • financiële diensten;
  • elektronische communicatiediensten en -netwerken;
  • diensten op het gebied van vervoer;
  • diensten van uitzendbedrijven;
  • diensten van de gezondheidszorg;
  • audiovisuele diensten met inbegrip van cinematografische diensten;
  • gokactiviteiten;
  • activiteiten in het kader van de uitoefening van openbaar gezag;
  • sociale diensten;
  • particuliere beveiligingsdiensten;
  • diensten van notarissen en deurwaarders bij officieel overheidsbesluit benoemd.

Doel van de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet is het wegnemen van belemmeringen voor het verrichten van diensten in een andere lidstaat. De wet voorziet in de verplichting voor (decentrale) overheden om hun wet- en regelgeving op mogelijke belemmeringen te screenen (is een bepaling noodzakelijk en evenredig en niet-discriminerend?) en zo nodig aan te passen.

Een voorbeeld is de Lex Silencio Positivo. Deze wet schrijft voor dat een vergunning automatisch wordt geacht te zijn verleend als de overheid niet op tijd reageert op de vergunningaanvraag.

Daarnaast verplicht de Dienstenwet tot administratieve vereenvoudiging.
Een voorbeeld is de inrichting van een centraal elektronisch loket. Bij dit Dienstenloket  kunnen dienstverleners terecht voor al hun informatie en afhandeling van procedures wanneer zij zich in Nederland willen vestigen of tijdelijk diensten willen verrichten. Op deze wijze kunnen dienstverleners vanuit hun thuisland al veel zaken uitzoeken en regelen.

Niet alleen dienstverleners uit andere lidstaten kunnen profiteren van het Dienstenloket, ook Nederlandse dienstverleners kunnen er gebruik van maken.

Meer informatie?

Loopt u op tegen (ongeoorloofde) markt belemmeringen? RWV Advocaten beschikt over gespecialiseerde kennis met betrekking tot Europese regelgeving. Heeft u vragen hieromtrent, neemt u dan contact met mij op.

Oorspronkelijk auteur: mr. Guus Braakman (niet meer werkzaam bij RWV Advocaten)

© 2022 RWV