Hoge Raad: ook zonder hoofdzaakcriterium leidt een (kleine) nevenactiviteit niet automatisch tot verplichte deelneming in pensioenfonds
Een groothandel in schoonmaak- en hygiëneproducten, die af en toe ook werkkleding voorziet van bedrijfslogo’s. Voor deze onderneming een bijkomend klusje, nauwelijks noemenswaardig vergeleken met de andere activiteiten. Toch had precies deze nevenactiviteit grote gevolgen voor deze onderneming. De onderneming werd namelijk verplicht deel te nemen aan het bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) MITT. De ondernemer was het hier niet mee eens en stapte naar de rechter. Dit liep door tot aan de Hoge Raad, waar de vraag speelde: kun je als ondernemer onder een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds vallen, ook als je maar voor een heel klein deel werkzaamheden verricht die behoren tot de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit?
De Hoge Raad heeft zich hier recent over uitgesproken: ook als een verplichtstellingsbesluit geen (expliciet) hoofdzaakcriterium bevat, kan er desondanks een ondergrens bestaan. Dat is vooral relevant voor ondernemingen die meerdere soorten activiteiten verrichten, waarvan slechts een klein deel raakt aan een bepaalde sector.
Wat speelde er in deze zaak?
Deze zaak ging over het verplichtstellingsbesluit voor het bedrijfstakpensioenfonds mode-, interieur-, tapijt- en textielindustrie, kort gezegd MITT. In dit verplichtstellingsbesluit staat geen hoofdzaakcriterium.
Geen hoofdzaakcriterium in verplichtstellingsbesluit voor bedrijfstakpensioenfonds
Een hoofdzaakcriterium wordt door verschillende bedrijfstakpensioenfondsen gebruikt om te bepalen of een onderneming onder de werkingssfeer van een verplichtstellingsbesluit valt. Als een onderneming hoofdzakelijk activiteiten verricht die onder het besluit vallen, is zij van rechtswege verplicht zich bij het betreffende pensioenfonds aan te sluiten.
Van hoofdzakelijkheid is meestal sprake wanneer bijvoorbeeld meer dan 50% van de activiteiten of werkzaamheden onder het besluit valt. Hoe deze 50%-grens wordt beoordeeld, verschilt per bedrijfstakpensioenfonds. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gekeken naar de loonsom, de omzet of het aantal arbeidsuren. Hierdoor kan de toets per bedrijfstakpensioenfonds anders uitpakken.
Ook het merendeel van de werkingssfeerbepalingen van cao's kent zo’n hoofdzaakcriterium.
Letterlijke uitleg van het verplichtstellingsbesluit
Ontbreekt zo’n hoofdzaakcriterium, dan werd in de praktijk vaak strikt naar de (letterlijke) tekst van het verplichtstellingsbesluit gekeken. Verricht een onderneming een activiteit die onder de werkingssfeer valt? Dan kon dat al genoeg zijn om onder het verplichtstellingsbesluit te vallen.
Dat kan voor ondernemers verstrekkende gevolgen hebben. Stel dat je onderneming vrijwel volledig actief is in een andere branche, maar daarnaast op beperkte schaal werkzaamheden verricht die passen binnen de omschrijving van een (ander) verplichtstellingsbesluit. Moet je dan je onderneming aansluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds?
Verplichte deelname aan het bedrijfstakpensioenfonds
In onderhavige kwestie ging het om een groothandel in schoonmaak- en hygiëneproducten. Zij verkocht ook werkkleding, waarbij de mogelijkheid werd geboden die te voorzien van een bedrijfslogo. Het aanbrengen van zo’n logo werd aangemerkt als het bewerken van kleding tot bedrijfskleding voor de klant. Hoewel dit slechts een beperkt onderdeel van de totale activiteiten vormde, zou deze onderneming, bij letterlijke uitleg van het verplichtstellingsbesluit, onder de werkingssfeer vallen en dus verplicht moeten deelnemen aan het Bpf.
Wat zegt de Hoge Raad over deze ‘beperkte’ activiteiten?
De Hoge Raad maakt duidelijk dat het ontbreken van een hoofdzaakcriterium niet automatisch betekent dat elke (minimale) activiteit voldoende is om onder het verplichtstellingsbesluit te vallen.
Cao-norm biedt uitkomst
Een verplichtstellingsbesluit moet worden uitgelegd aan de hand van de zogeheten cao-norm. Dit houdt in dat de tekst moet worden uitgelegd aan de hand van objectieve maatstaven, waarbij de bewoordingen van de cao-bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Bij de uitleg kan ook de elders in de cao gebruikte formulering en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen een rol spelen. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting kan bij de uitleg van de cao worden betrokken.
Volgens de Hoge Raad kan die uitleg meebrengen dat er een ondergrens geldt, ook als die niet letterlijk in het besluit staat.
Zonder zo’n ondergrens zou een onderneming die vrijwel niets met de betreffende bedrijfstak van doen heeft, toch onder het verplichtstellingsbesluit kunnen vallen. Dat vindt de Hoge Raad geen redelijke uitleg, gelet op de onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen.
Wanneer zijn activiteiten verwaarloosbaar?
De Hoge Raad noemt geen exacte ondergrens. Wel geeft de Hoge Raad aan dat een onderneming niet onder het verplichtstellingsbesluit valt als de betreffende activiteit slechts op ‘verwaarloosbare schaal’ plaatsvindt in verhouding tot de totale activiteiten, omzet, loonsom en/of arbeidsuren. Wat op ‘verwaarloosbare schaal’ is, wordt verder niet gedefinieerd.
Zijn de activiteiten slechts van zeer beperkte betekenis in verhouding tot de totale onderneming? Dan zou sprake kunnen zijn van activiteiten op verwaarloosbare schaal, in welk geval de onderneming mogelijk buiten de verplichtstelling kan blijven.
Wat betekent dit voor ondernemers met gemengde activiteiten?
Deze uitspraak is vooral belangrijk voor ondernemingen die niet eenvoudig in één sector zijn te passen. Denk aan bedrijven met een hoofdactiviteit in de handel, dienstverlening of logistiek, maar met daarnaast enkele nevenactiviteiten die raken aan een andere branche.
Voor zulke ondernemingen kan de vraag spelen of zij onder een cao of verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds vallen. Tot nu toe werd in lagere rechtspraak vaak aangenomen dat het ontbreken van een hoofdzaakcriterium betekende dat de omvang van de activiteiten niet doorslaggevend was. De Hoge Raad brengt daarin nu nuance aan.
Dat betekent niet dat ondernemers nu zonder risico kunnen aannemen dat zij buiten een cao of verplichtstellingsbesluit vallen. De grens van “verwaarloosbare schaal” moet in de praktijk nog verder worden ingevuld.
Waarom is deze uitspraak belangrijk voor de praktijk?
De gevolgen van een verplichte aansluiting kunnen groot zijn. Als achteraf blijkt dat je onderneming onder een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds valt, kan dat leiden tot forse claims van pensioenfondsen. Ook kan discussie ontstaan over arbeidsvoorwaarden, loon, toeslagen of andere verplichtingen.
Daarom is het belangrijk om altijd goed te kijken naar de werkingssfeerbepalingen en verplichtstellingsbesluiten en – daar waar nodig – gedegen onderzoek naar te (laten) doen.
Wanneer is een werkingssfeeronderzoek verstandig?
Een werkingssfeeronderzoek is verstandig als je twijfelt of jouw onderneming onder een cao of verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds valt. Dat geldt zeker als je een brief hebt ontvangen van een bedrijfstakpensioenfonds, cao-partij of uitvoeringsorganisatie waarin wordt gesteld dat je verplicht moet aansluiten.
Bij zo’n onderzoek wordt gekeken naar de activiteiten van je onderneming, de tekst van de cao en/of het verplichtstellingsbesluit en de manier waarop jouw werkzaamheden zich daartoe verhouden.
Zo krijg je beter inzicht in je positie en kun je onderbouwd reageren als een cao-partij of bedrijfstakpensioenfonds aansluiting verlangt.

Twijfel je of jouw onderneming onder een cao valt?
De uitspraak van de Hoge Raad maakt duidelijk dat een onderneming niet automatisch onder een verplichtstellingsbesluit valt louter omdat een beperkt deel van haar activiteiten binnen de werkingssfeer valt. Zelfs zonder een (expliciet) hoofdzaakcriterium kan er een ondergrens gelden.
Dit biedt ruimte voor interpretatie en vraagt om nadere uitleg over waar die ondergrens precies ligt. Het is dan ook de vraag hoe zich dit in de praktijk verder zal ontwikkelen.
Naar verwachting zal dit in ieder geval aanleiding zijn om de werkingssfeerbepaling in het verplichtstellingsbesluit van de MITT nog eens tegen het licht te houden en te herzien, zodat meer duidelijkheid ontstaat over de ‘ondergrens’.
Twijfel je of jouw onderneming onder een cao of verplicht bedrijfstakpensioenfonds valt? Of heb je een brief ontvangen waarin wordt gesteld dat je verplicht moet aansluiten? Neem dan gerust contact op.
Veel gestelde vragen over het verplicht
gesteld bedrijfstakpensioenfonds
Geldt deze uitspraak alleen voor de MITT-sector?
De uitspraak gaat specifiek over het verplichtstellingsbesluit Bpf MITT, maar de redenering van de Hoge Raad kan ook relevant zijn voor andere verplichtstellingsbesluiten en/of cao’s zonder duidelijk hoofdzaakcriterium. Wel zal per cao of verplichtstellingsbesluit bekeken moet worden hoe de werkingssfeer daarvan moet worden uitgelegd.
Kan een pensioenfonds nog steeds onderzoek doen naar mijn onderneming?
Ja. Een pensioenfonds of uitvoeringsorganisatie kan nog steeds informatie opvragen om te beoordelen of je onderneming onder een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds valt. Het is belangrijk om daar zorgvuldig op te reageren en de feitelijke activiteiten van je onderneming goed in kaart te brengen en te onderbouwen.
Wie moet bewijzen dat mijn onderneming onder een verplichtstelling valt?
In de praktijk zal de partij die aansluiting verlangt moeten onderbouwen waarom jouw onderneming onder de werkingssfeer valt. Tegelijkertijd moet jij als ondernemer vaak informatie geven over je activiteiten, omzet, loonsom en arbeidsuren. Een goede administratie helpt dus om je standpunt te onderbouwen.
Kan ik mij beroepen op deze uitspraak als ik al ben aangesloten bij een pensioenfonds?
Dat zou kunnen, maar hangt af van je situatie. Relevante vragen zijn onder meer waarom je bent aangesloten, welke activiteiten je onderneming verricht en of eerder al inhoudelijk is beoordeeld of je onder de verplichtstelling valt. Laat dit eerst goed toetsen voordat je stappen zet.
Wat moet ik doen als mijn bedrijfsactiviteiten veranderen?
Als je onderneming nieuwe activiteiten ontwikkelt of bestaande activiteiten uitbreidt of wijzigt, kan dat gevolgen hebben voor de vraag of je onder een cao of verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds valt. Het is verstandig om dit opnieuw te beoordelen zodra een (neven)activiteit structureel of substantieel wordt en/of wijzigt.













